Home > Tijdschrift > Hoe is het nu met > Mijn Geheim 10/32

Hoe is het nu met: Mijn Geheim 10/32

 

In MG 08/49 stond het verhaal van Toon. Hij heeft zijn leven gewijd aan het inzamelen van voedsel- en kledinghulp voor dakloze kinderen in Polen, Rusland, Hongarije en Oekraďne. Het helpen van kinderen in deze Oostbloklanden helpt Toon ook om zijn verdriet en zware leven de baas te kunnen. Lees hier het bewuste verhaal uit de Mijn Geheim 08/49 Immens verdriet maakt van Toon een weldoener ’Ik moest verder’ De Brabantse Toon (52) staat in zijn dorp bekend als de weldoener die goederen en voedselpakketten inzamelt voor dakloze en zieke kinderen in het Oostblok. De directe aanzet tot zijn inzamelacties was de zelfdoding van zijn Poolse vriendin, Halina, in 2005. En daarmee was het leed nog niet voorbij voor Toon. Tekst: Vivianne van Bijsterveld Fotografie: Maurits van Hout Het was eigenlijk een geluk bij een ongeluk dat ik Halina leerde kennen. In november 1999 kreeg ik een zwaar ongeluk. Ik werkte in de bouw en viel drie meter naar beneden. Een gigantische smak. Volgens de artsen mocht ik van geluk spreken dat ik er nog was. Zij constateerden diverse botbreuken en zowat alles in mijn lijf was zwaar gekneusd. In het ziekenhuis had ik vreselijke pijn, maar ik gaf geen krimp. Dat leek me de slimste manier om zo snel mogelijk weer naar huis te mogen. Eenmaal thuis kreeg ik gelukkig veel hulp van buren en vrienden. Er werd voor me gekookt en gezorgd, zodat ik rustig de tijd had om te genezen. Die hulp had ik ook wel nodig, want erg mobiel was ik niet. Mijn armen en benen waren gespalkt en moesten genezen van de vele botbreuken en kneuzingen. Mijn beste vriend kwam regelmatig langs en dan gingen we een stukje toeren; een ritje met de auto en dan ergens koffiedrinken. Fijn, want zo was ik er even uit en had wat afleiding. Wel een gedoe hoor, om mij met spalken en al in zijn auto te krijgen! Maar goed, amper vier weken nadat ik uit het ziekenhuis was ontslagen, vroeg die vriend mij of ik mee wilde naar Antwerpen. Dat wilde ik best, maar wel wanneer ik helemaal op de been was. Maar nee, mijn maat bedoelde nu meteen! Ik dacht nog: heel even in de auto lukt wel, maar zo lang? Maar oké, ik wilde het wel proberen… Het thuiszitten was ik inmiddels wel een beetje beu. Eenmaal in Antwerpen gingen we naar een danstent. Een leuke vrouw kwam al snel naar me toe en vroeg of ik met haar wilde dansen. Dat wilde ik wel proberen, zo goed en kwaad als het ging. ”Da’s een goede therapie voor jou”, zei mijn vriend lachend. En inderdaad, ik knapte ervan op. We hadden een gezellige avond en reden tevreden weer naar huis. Omdat de trip zo goed bevallen was, gingen we de week daarop terug. Daar ontmoette ik wederom een leuke vrouw, met wie het meteen klikte: Halina. Ze vertelde me dat ze achtenveertig was. We praatten wat, dansten en dronken samen een glaasje. Ze vertelde dat ze in een restaurant in Antwerpen werkte. Al snel werden onze gesprekken serieuzer. We hadden het ook over mijn ongeluk. ’s Avonds boden mijn vriend en ik aan om haar naar huis te brengen. In eerste instantie zei ze nog: ”Ik ken jullie amper. Misschien zijn jullie wel helemaal niet te vertrouwen.” Maar toen maakte ik een geintje: ”Ach meid, wat kan je gebeuren? Als ik iets probeer, schop je gewoon tegen mijn benen en dan lig ik met krukken en al zo op de grond!” Daar moest ze erg om lachen. We brachten haar naar huis en bleven nog even een kop koffie drinken. Het werd later en later. Tijd om naar huis te gaan. Maar… de auto startte niet meer! Ik had niet genoeg geld bij me om de wegenwacht te betalen. Maar Halina gaf ons zomaar tweehonderdvijftig euro om de auto te laten repareren. Ik sputterde wel even tegen, want om nou geld te lenen van iemand die ik amper kende? En dan ook nog zo’n lieve vrouw? Maar ja, we moesten iets. We lieten de auto maken en zijn dezelfde nacht nog naar huis gereden. Daar hebben we snel even drie uurtjes geslapen. Na ons opgefrist te hebben zijn we direct geld gaan pinnen en weer terug naar Antwerpen gereden. Halina vond het prachtig van ons; dat had ze niet verwacht en zeker niet zo snel! Vanaf toen kregen we een hechtere band. We werden goede vrienden en al snel bloeide er meer op. We kregen een serieuze relatie. Ik ging regelmatig naar Antwerpen en zij kwam ook vaak in het weekend of op haar vrije dagen naar mij toe. Ze vond het gezellig bij mij en vroeg of ze hier mocht komen wonen. Mijn zoon Stefan - uit een eerder huwelijk, hij was toen zeventien - vond het geen probleem. Het was wel fijn, een vrouw die voor zijn vader zorgde, en het klikte trouwens ook goed tussen die twee. Ik twijfelde in eerste instantie wel om samen te gaan wonen. Ik had niet zo veel geluk in de liefde gehad. Deed ik er wel verstandig aan om weer een vrouw in huis te halen? Ik hield nog even de boot af, maar daar had Halina gelukkig wel begrip voor. Het leven ging verder en ik moest na lange tijd revalideren weer aan de slag. Maar de pech sloeg opnieuw toe: ik kreeg weer een ongeluk. Ik werkte als vrachtwagenchauffeur, terwijl ik toch nog flink wat pijn had. Maar goed, wat moest dat moest… Ik mocht geen trappen lopen en niet sjouwen, maar rijden in een automaat kon wel. Ik reed ermee naar een bouwplaats om beton te brengen en spoot na afloop de vrachtwagen schoon. Toen ging het mis. Ik voelde een flinke pijnscheut, kreeg kramp in mijn been en viel. Ik kwam ongelukkig terecht op mijn hand. In het ziekenhuis keken ze er even naar en constateerden ze een scheurtje in het bot en een zware kneuzing. Dat leek mee te vallen, ondanks dat het flink pijn deed. In diezelfde tijd, maart 2000, trok Halina bij me in. Ze vond dat ze nu voldoende reden had, want er moest toch iemand voor me zorgen. En ik vond het ook wel fijn dat ze dicht bij me was. Maar ondertussen bleef ik zo’n verschrikkelijke pijn aan mijn pols en hand houden dat ik naar het ziekenhuis ben gegaan. Ik hield het niet meer uit. Ik kwam dezelfde arts tegen die me eerder met mijn bouwongeluk had geholpen. ”Kom maar mee”, zei hij. Mijn hand bleek nota bene gebroken en mijn pols was uit de kom; daar liep ik dus al drie weken mee rond! Ze moesten me opereren. Gelukkig mocht ik na de operatie meteen naar huis. En daarna ging het snel heel goed. Ik was herstellende en tussen mij en Halina ging het geweldig. We waren erg gelukkig samen. Op een gegeven moment besloten we dat we samen iets wilden gaan doen en we pakten het plan op om een oliebollenkraam te beginnen. Het was in 2004, we woonden al een tijdje samen dus. We zagen het helemaal zitten. Samen naar markten en braderieën en tegen de kerst naar alle kerstmarkten. Van een groot gedeelte van ons spaargeld kochten we een oliebollenwagen en zo trokken we rond van markt naar markt. We begonnen met oliebollen bakken, maar breidden al snel uit naar Duitse braadworsten en hamburgers. Het was een heel erg leuke tijd. Onze investering leverde best goed op, we hadden het altijd druk. We werden net voor kerst nog in de plaatselijke krant uitgeroepen tot ’de kraam met de smakelijkste oliebollen’. Maar toen sloeg het noodlot weer toe: de wand van onze oliebollenwagen werd er ’s nachts uit geslagen. We denken door de concurrentie, maar daar zijn we nooit achter gekomen. Wat een ravage. We hadden er veel verdriet van, maar kregen gelukkig veel hulp van familie, vrienden en buren. We hebben het hele ding weer in elkaar gezet! Met kerst draaiden we een heel goede omzet en ons geluk kon niet meer stuk, dachten we. Een paar weken later werd onze kraam echter opnieuw vernield. Niet alleen de wand, nee, nu was alles eruit gesloopt. De wagen was niet meer te repareren en we konden ons geen nieuwe wagen veroorloven. Het geld dat we hadden verdiend, moesten we investeren in nieuw bakmateriaal en we besloten het anders aan te pakken. Met onder meer een grote barbecue gingen we op markten en braderieën staan. Verkoop op de houten planken dus, zonder kraam. Dat was balen en wennen in het begin, maar al snel kregen we ook daar lol in. We hadden lekkere verse broodjes, verse uien en kwalitatief goed vlees. Het liep als een trein. Het rook lekker en de mensen genoten van onze spullen. We waren zeker niet ontevreden. Langzaamaan verdienden we weer wat geld en we besloten uiteindelijk een frietkraam te huren om daarmee de markten en dorpsfeesten af te gaan. Maar toen ook die wagen werd vernield, knakte er iets. Dit was het einde. We waren kapot. We hadden telkens zo ons best gedaan om iets op te bouwen, maar het werd ons steeds weer afgenomen. Spaargeld hadden we niet meer, het geld was op. Op dat moment was onze droom verdwenen. En beetje bij beetje kwamen we in de schulden terecht. Een jaar later, in december 2005, werden we nog steeds gebeld om met onze oliebollenwagen op markten te komen staan, maar het was over en uit. Geestelijk en lichamelijk waren Halina en ik nog steeds kapot. Tot het moment dat een grote meubelzaak vroeg of ik misschien voor het goede doel wilde komen bakken. De opbrengst van de oliebollenverkoop ging naar dakloze kinderen. Halina en ik keken elkaar aan en wisten het meteen: dat doen we. Omdat we nog lang niet opgeknapt waren, besloot ik alleen te gaan, zodat Halina lekker thuis kon blijven. Rusten was goed voor haar. We zaten allebei in een flinke dip, waar we niet een-twee-drie uit leken te komen. Ik vertrok, alleen, in de ochtend, en Halina was ontzettend lief voor me. Ze vroeg wat ik ’s avonds wilde eten. Ik zei nog: ”Doe maar gewoon iets simpels.” Maar ze wilde een lekker biefstukje voor me halen. Financieel stonden we er slecht voor, dus ik zei: ”Ach meid, doe maar gewoon een speklapje.” Toch zou ze me koste wat kost een beetje verwennen, de schat! ’s Avonds, na een heerlijke maaltijd, leek alles zich weer ten goede te keren. We leken uit ons dal te klimmen en waren zelfs even gelukkig. Halina vroeg me dezelfde avond of het goed was dat ze met een vriendin ging dansen. ”Natuurlijk”, zei ik. ”Ga lekker genieten, meid, als ik maar weer die gelukkige vrouw zie. Dan vind ik alles prima.” Ik hoopte dat Halina een fijne tijd zou hebben en wilde eigenlijk op tijd naar bed gaan. Maar, dacht ik, laat ik ook eens gek doen. We doen zo weinig leuke dingen de laatste tijd en het leven was eentonig geworden. Ik riep mijn zoon en uit pure dolheid zijn we samen naar Antwerpen gereden. Daar hebben we een frietje gegeten en zijn daarna direct weer teruggegaan. Stefan lachte nog en zei: ”Nou, dat is een duur frietje geweest, pap!” Maar dat kon me helemaal niks schelen. We hebben genoten van die rit samen. Eenmaal thuis was ik doodop en ging naar bed. Maar ’s ochtends was Halina er nog niet. Ik was ongerust, belde haar mobiel maar kreeg haar niet te pakken. Plots werd ik gebeld door de politie met de vraag of ik naar het politiebureau wilde komen. Ik schrok en wilde weten wat er aan de hand was. Ze wilden niets zeggen, ik moest eerst komen. In eerste instantie werd ik boos en gooide de hoorn erop. Maar ik was bang - ze zou toch geen ongeluk gehad hebben? Stefan zei dat ik terug moest bellen en moest gaan informeren op het bureau. Dat deed ik uiteindelijk… met lood in mijn schoenen. Op het bureau kreeg ik te horen dat Halina zichzelf van het leven had beroofd. Ze was over de reling van een viaduct geklommen en had zich laten vallen. Ik dacht dat ik gek werd van verdriet. Hoe had ze dat nou kunnen doen? Goed, we hadden de nodige problemen en ellende, maar we hielden toch van elkaar? Het verdriet was te groot voor woorden. Ik heb me een tijd thuis opgesloten; ik kon en wilde niet meer onder de mensen komen. Pas een maand of drie later, toen ik haar spullen voorzichtig begon op te ruimen, kwam ik een brief van haar tegen. De brief was warrig en half in het Nederlands, half in het Pools. Ik kon geen wijs uit het Poolse deel en heb hem laten vertalen. Ik moest per se weten wat Halina me wilde vertellen. Ze noemde me ’haar lieve Toni’ en vertelde dat het niet aan mij lag. Ze zag het leven, dat zo hard voor haar was geweest, niet meer zitten. De vele problemen uit haar jeugd, haar zware leven in een Pools kindertehuis, haar moeilijke relatie met haar ex-man… het werd haar allemaal te veel. Ze had geestelijke en lichamelijke pijn en ze wilde afscheid nemen van dit leven. In die brief riep ze mij op om te zorgen voor de dakloze en arme kinderen in Polen. Haar eigen jeugd was ze nooit vergeten. Ik had enorm veel verdriet. Maar indirect was de oproep van Halina mijn redding. Zij gaf me een reden om door te gaan. Er waren mensen om voor te zorgen… Ik moest verder! Via vrienden, kennissen en wat verre familie van Halina in Polen kreeg ik contact met weeshuizen, ziekenhuizen en arme gezinnen. Ik begon met het verzamelen van spullen in Nederland en plande mijn eerste rit richting Polen. Al snel breidden mijn netwerk en mijn goederenopslag zich verder uit. Eén rit werden er twee, en er volgden een derde en een vierde. Elke keer dacht ik dat het de laatste rit zou zijn, maar ik kon niet meer stoppen. Mensen helpen geeft een goed gevoel, haast een verslavend gevoel. En dat goede gevoel wil ik niet kwijt, want de pijn om het verlies van mijn lieve Halina is nog te groot om te behappen. Ik kreeg nog meer verdriet te verwerken. Na Halina’s dood werd van de ene op de andere dag mijn moeder ziek. Een week voor haar verjaardag moest ze opgenomen worden in het ziekenhuis. Ze had verschrikkelijke buikpijn en de artsen besloten tot een operatie. Ik had akelige dromen en zag het somber in. Ik had een heel slecht voorgevoel, maar de operatie leek in eerste instantie goed afgelopen te zijn. Er werd verteld dat haar eierstokken waren verwijderd. En daar zou ze wel overheen komen, dachten we. Totdat plots een onverwacht telefoontje die gedachte om zeep hielp: mijn moeder was overleden. Achteraf was de operatie haar toch te veel geworden. Dat hakte erin. Ze had een respectabele leeftijd bereikt, maar ik hield zo veel van haar dat het afscheid me zwaar viel. En door haar dood werd ik weer herinnerd aan het verlies van mijn lieve Halina. Ik voelde weer wat ik toen voelde en kon niet meer slapen van verdriet. Vol verdriet ging ik na de begrafenis van mijn moeder naar huis. Er stond een bericht op mijn antwoordapparaat. Mijn oudste dochter, Brigitta, amper drieëntwintig jaar oud, was overreden door een auto. Ze was op slag dood en liet twee heel jonge kindjes achter… Op dat moment sloeg de grond onder me weg. Ik dacht dat ik al op de bodem zat van een heel diepe put, maar blijkbaar kon het nog erger. Drie vrouwen van wie ik hield… weg. Zomaar ineens afgelopen. Dat is onmenselijk. Zo veel verdriet kan een mens niet verdragen en zeker niet in zo’n korte tijd. Ik was verdrietig, boos, bang… van alles door elkaar. Ik ben in bed gekropen en er niet meer uitgekomen. Maar dat was helaas nog niet alles. Een week later kreeg ik het bericht dat mijn schoonzus zelfmoord had gepleegd. Zij had in de voorbije jaren te vaak afscheid moeten nemen van geliefden uit haar omgeving en was daardoor depressief geraakt. Weer beroofde iemand in mijn naaste omgeving zichzelf van het leven… Hoewel ik al jaren een slecht contact had met mijn broer, besloot ik toch om naar de begrafenis van mijn schoonzus te gaan. Ik trok me weer omhoog uit mijn eigen verdriet en ben opgestaan. Ik heb me over onze slechte relatie heen gezet en ik hoop dat mijn aanwezigheid hem tot steun is geweest. Dat is het minste wat ik voor hem kon doen. Ik begrijp als geen ander zijn verdriet, want ook ik heb op deze manier een geliefde verloren. Mijn broer en ik hebben niet over onze gevoelens gesproken. Zo zijn we niet, zo zitten we niet in elkaar. Maar daar zaten we wel, op die zwarte dagen, ieder met zijn eigen ellende en grote berg smart. De boodschap van Halina, de liefde van Brigitta voor haar kinderen, de liefde van mijn moeder… Dat geeft me het laatste restje kracht om door te gaan. Het werken met kinderen doet me heel veel. Het heeft me elke keer weer uit een heel diep dal getrokken. Telkens als ik dacht: ik ga niet meer door, dan dacht ik aan die kinderen en gezinnen die het nog slechter hebben dan ik. Dakloze kinderen, kinderen die seksueel misbruikt zijn, arme gezinnen. Hoewel ik niet al het leed in de wereld kan laten verdwijnen, wil ik wel mijn steentje bijdragen. Zo houd ik de gedachte aan Halina, aan mijn moeder en aan Brigitta in ere. Telkens wanneer ik tijdens een van mijn lange ritten voorbij het graf van Halina kom, stop ik en ga ik even met haar praten. Dan vraag ik of ik het goed doe. En of ze gelukkig is. Dan vertel ik wat ik allemaal heb verzameld en heb bereikt. Wie ik er gelukkig mee heb gemaakt. En gelukkig zíjn de mensen die ik kan helpen. Soms tot huilens toe. Ze vragen vaak heel kleine dingen, zoals zeep of een fles shampoo. Maar ik kijk altijd goed om me heen. Wanneer ik een versleten wasmachine zie of merk dat er ergens nieuw meubilair nodig is, dan sla ik dat meteen in mijn hoofd op. Beter die gedachte in mijn hoofd, dan het verdriet om mijn geliefden. Dankzij de vele sponsors en vrijwillige hulp in Nederland, lukt het me elke keer weer om voldoende spullen te verzamelen en weg te brengen. Inmiddels ben ik al ongeveer zestig keer op en neer geweest. Hulp is nog steeds nodig. Mijn droom en toekomstideaal is om ooit nog een pretpark te bouwen in Polen. Een plek waar kinderen zichzelf kunnen zijn. Waar ze kunnen spelen en zwemmen, waar ze een dagje uit zijn en kunnen genieten. Even weg uit de dagelijkse, harde realiteit. Een plek waar alleen vreugde is en geen verdriet. Misschien is het een droom, misschien kan ik het ooit nog realiseren. Ik ben in ieder geval alweer druk bezig met de volgende rit, een verrassingsrit naar Polen. Met twee bussen en twee vrachtwagens zijn we van plan om kerstpakketten uit te gaan delen aan de arme gezinnen, weeshuizen en ziekenhuizen. Ik kan haast niet wachten om die blije gezichten te zien. Dat is het mooiste van de hele wereld! Lees hoe het nu met Toon gaat in de Mijn Geheim van deze week op pagina 53.

 Terug naar overzicht 






Jouw Verhaal

Naar jouw verhaal...