Ik zie hem wel weer verschijnen

Mijn ex ging vaak ’s avonds de deur uit. Meestal rond een uur of acht negen. Soms kwam hij rond één uur ’s nachts thuis, maar vaak ook veel later. Soms pas in de ochtend. Er waren periodes waarin dit bijna iedere dag gebeurde. En dan waren er weer periodes waarin het iets minder vaak was. Maar het gebeurde zo vaak dat het op een gegeven moment bijna normaal begon te voelen. In het begin voelde ik paniek als hij niet thuiskwam. Ik vroeg me af waar hij was. Waarom nam hij zijn telefoon niet op? Straks is er iets gebeurd. Straks heeft hij iets gedaan. Straks is hij dood. Straks is hij bij een ander. Straks… Mijn hoofd kon eindeloos doorgaan. Ik kon mezelf helemaal gek maken met alle scenario’s die zich in mijn hoofd afspeelden. Ik wachtte. Ik keek op mijn telefoon. Ik vroeg me af wanneer hij thuis zou komen. En als hij dan eindelijk binnenkwam, wilde ik weten waar hij was geweest en wat hij had gedaan. Maar naarmate de jaren verstreken, veranderde er iets in mij. De laatste jaren merkte ik dat het me steeds minder begon te interesseren. Niet omdat het ineens normaal was geworden, maar omdat ik eraan gewend was geraakt. Het was een patroon geworden. Hij ging weg. Ik bleef thuis. Met één kind. Of later met twee. Ik zorgde. Ik wachtte. En uiteindelijk dacht ik steeds vaker: ik zie hem wel weer verschijnen. Misschien was dat wel het moment waarop ik mezelf begon kwijt te raken. Het moment waarop iets wat me vroeger zoveel angst gaf, me steeds minder begon te raken. Niet omdat ik me veiliger voelde, maar omdat ik mezelf had aangeleerd om niets meer te verwachten. Een van die nachten staat nog altijd in mijn geheugen gegrift. Ik was zwanger van mijn zoontje. Ik denk dat ik ongeveer achtentwintig weken zwanger was. Mijn dochter was nog een dreumes en werd ’s nachts nog regelmatig wakker. Ik weet nog dat hij die avond weer was weggegaan en dat hij pas heel laat thuiskwam. Volgens mij was het ergens tussen negen en tien uur in de ochtend. Ik had bijna de hele nacht wakker gelegen. Zwanger. Met een klein kind in huis. Wachtend. Toen hij eindelijk thuiskwam, was ik boos. Ik vroeg hem meerdere keren waar hij was geweest. Wat hij had gedaan. Maar hij negeerde me volledig. “Ja, we praten als ik heb geslapen.” En vervolgens ging hij gewoon in bed liggen. Alsof er niets was gebeurd. Alsof ik niet de hele nacht alleen had gezeten. Alsof ik niet zwanger was. Alsof ik niet de zorg had gehad voor onze kleine dochter. Alsof ik niet al uren wakker lag met vragen waar ik geen antwoord op kreeg. Ik voelde de woede steeds verder oplopen. Hoe kon je iemand zo de hele nacht alleen laten en dan de volgende ochtend gewoon thuiskomen, naar bed gaan en doen alsof er niets aan de hand was? Ik wilde antwoorden. Ik wilde gehoord worden. Ik wilde gewoon dat hij met me praatte. Maar er kwam niets. Uiteindelijk werd ik zo boos en zo wanhopig dat ik aan de deken trok. “Rot op, rot gewoon op.” Er volgde geschreeuw, en toen trapte hij. Bijna in mijn buik. In mijn buik zat zijn kind. Ons kind. Ik schrok. En toen schreeuwde hij: “Pas op, hè. Beter ga je weg voordat ik je in je buik trap.” Ik weet nog dat ik daarna nog iets naar hem heb geschreeuwd. Ik weet niet eens meer wat. Ik weet alleen dat ik ben weggelopen. Mijn dochter zat in de woonkamer. En terwijl ik daar liep, wist ik eigenlijk al hoe mijn dag eruit zou zien als ik zou blijven. Ik zou daar zitten met dat misselijke gevoel in mijn maag. Wachten tot hij wakker werd. Wachten tot ik eindelijk met hem kon praten. Wachten tot hij misschien bereid was om naar me te luisteren. En ondertussen zou ik in hetzelfde huis zitten met een man die gewoon lag te slapen. Alsof er niets was gebeurd. Ik kon niets. Ik kon nergens heen in mezelf. Dus ging ik. Daar liep ik weer. Met een baby in mijn buik en mijn dreumes aan mijn hand. Ik nam mijn kind mee naar buiten, omdat ik niet wilde dat zij de hele dag in die spanning zou zitten. Ik wilde dat zij een fijne dag had. Ik wilde dat zij kon lachen. Dat zij kon spelen. Dat zij even gewoon kind kon zijn. En dus droeg ik mijn eigen verdriet mee naar buiten. Zoals ik dat zo vaak had gedaan. Ik was altijd aan het wachten. Wachten tot hij wakker werd. Wachten tot hij klaar was met eten. Wachten tot hij van zijn telefoon afkwam. Wachten tot hij misschien eindelijk naar mij zou luisteren. Maar ik werd bijna nooit gehoord. Er was altijd wel iets. Als hij op zijn telefoon zat, reageerde hij nauwelijks of helemaal niet. Als ik ergens iets van zei, draaide het uiteindelijk vaak weer om mijn reactie. Dan ging het ineens niet meer over wat er was gebeurd, maar over hoe ik reageerde. Als hij aan het eten was, moest ik wachten. “Ik wil nu rustig eten.” En als ik uiteindelijk toch probeerde te praten, kwam er soms iets als: “Ik wil nu even niet naar je gezeik luisteren. Laat me gewoon met rust.” En dus wachtte ik weer. Tot hij klaar was met eten. Tot hij klaar was met zijn telefoon. Tot hij wakker was. Tot hij zin had om te praten. Tot hij misschien bereid was om mij te horen. Maar soms kwam dat moment helemaal niet. En langzaam leerde ik mezelf aan om minder te vragen. Minder te verwachten. Minder te voelen. Want wat heeft het voor zin om steeds opnieuw proberen gehoord te worden als niemand luistert? Wat heeft het voor zin om steeds opnieuw uit te leggen waarom iets je pijn doet als je uiteindelijk toch degene bent die zich moet verantwoorden voor haar reactie? Dus werd ik stiller. Niet omdat ik niets meer te zeggen had, maar omdat ik steeds minder geloofde dat het ertoe deed. En misschien is dat wel een van de verdrietigste dingen aan terugkijken. Ik dacht dat ik hem nodig had om mij gerust te stellen. Om mij uit te leggen waar hij was geweest. Om mij te vertellen dat er niets aan de hand was. Om mij te horen. Om mij te begrijpen. Maar eigenlijk wachtte ik al die jaren op iets veel eenvoudigers. Ik wachtte op het gevoel dat ik niet alleen was. Terwijl ik dat, ondanks dat ik samen was, misschien wel vaker voelde dan ik ooit wilde toegeven.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *